Bij punt 7 hierboven ging het om het teken gk: een teken dat onbekend is in het Nederlands. Daar werd gezegd dat de klank bij het teken gk alleen in het woord voorkomt.
Deze gk wisselt in andere vormen af met k. Als deze k op het einde van een woord staat, gaat de woord- en woorddeelgelijkheid niet door en wordt er enkel k gespeld.
Voorbeelden:
ligke ‘liggen’ ich lik (en niet: ich ligk ‘ik lig’);
zègke ‘zeggen’ ich zèk (en niet: ich zègk ‘ik zeg);
twee hègke ‘twee heggen’ ein hèk (en niet: ein hègk ‘een heg’).
dinsdag 11 september 2007
Abonneren op:
Reacties posten (Atom)


Geen opmerkingen:
Een reactie posten