dinsdag 11 september 2007

g. d’r of t’r als reductievorm van de 3e ps. ev. mannelijk

De volle vorm van de 3e persoon enkelvoud mannelijk is hae en varianten. De reductievorm ervan is in veel Limburgse dialecten d’r.

Bij inversie (dan staat de persoonsvorm vóór het persoonlijk voornaamwoord) wordt dit d’r vaak geassimileerd tot t’r.

Die assimilatie treedt op omdat de persoonsuitgang achter de stam van het werkwoord in de tegenwoordige tijd een stemloze medeklinker is (Roermondse voorbeelden: hae sjleit, besjlis, pak, fiets, nump, jank, riet).

Moet men voor deze vorm nu d’r of t’r schrijven? Het geval met t’r klinkt overigens veel vaker dan het geval met d’r.

In het Nederlands komen dezelfde gevallen voor: men spreekt een t uit en moet een d spellen:
Is dat goed op die manier? klinkt als Is tat goet op tie manier? Tat moet gespeld worden als dat, tie moet gespeld worden als die. Op overeenkomstige manier moet men in de Limburgse dialecten waarin d’r en t’r allebei voorkomen beide woorden spellen als d’r.

Om waar te nemen of het dialect de vorm d’r heeft, kan men de volgende zinnetjes in dat dialect vertalen. Er staat ie in om aan te geven dat het persoonlijk voornaamwoord geen klemtoon mag hebben (het moet de reductievorm zijn).

Kan ie komen?
Zal ie komen?

Komt op de plaats van ie het woordje d’r, dan kent dat dialect dat woord.
Als voorbeeld volgt hier de redenering voor wat ouder Roermonds.

Kan d’r kómme?
Zól d’r kómme?

De vorm d’r bestaat dus in het Roermonds. Op veel meer plaatsen klinkt t’r:
Geit t’r mit?
Is t’r al klaor?
Mót t’r mit de fiets gaon?
Wit t’r wo d’r mót zeen?

In het laatste voorbeeldzinnetje staan beide vormen: de geassimileerde vorm t’r en de niet geassimileerde vorm d’r. De spelling vraagt altijd de niet geassimileerde vorm. In het Roermonds moet dus d’r geschreven worden, ook al klinkt er t’r: woorden en woorddelen moeten altijd hetzelfde gespeld worden. h. het niet spellen van de svarabhaktivocal

‘Svarabhaktivocaal’ is een moeilijke term voor de korte e die te horen is
*tussen de r en de m in woorden als ‘erm werm, berm’, of
*tussen de r en de ch (vaak als g gespeld): berg, erg, orgel, borg;
*tussen de l en de f in woorden als half, èlf, zelf;
*tussen de l en de v in woorden als zelfde, halverwaege
*tussen de l en de k in woorden als valk, balk, mèlk;
*tussen de l en de ch (vaak als g gespeld): velg, vervolg, olger;
Deze korte klinker wordt in het Limburgs niet geschreven. In het Nederlands (in die taal komt die korte e ook voor) wordt die e niet geschreven, al doet believen naast alstublieft (let op de b en de l) je anders verwachten.

Geen opmerkingen: